Close
Brillux Logo

 
 
Brillux

Beproeving van de ondergrond

De eerste stap naar een duurzaam afwerkresultaat

Voordat er kan worden begonnen met de laagopbouw, moet de ondergrond zorgvuldig worden onderzocht en voorbehandeld. Hieronder geven wij u een overzicht van de belangrijkste beproevingsmethoden.

Bodemvochtigheid: bepaling van het vochtgehalte

Of een vloerafwerking zijn functie vervult, is afhankelijk van het vochtgehalte van de ondergrond. De bodemvochtigheid kan het beste worden bepaald met een microgolfapparaat (calciumcarbidmethode). Bij meer dan 4 massaprocent vocht in het beton moeten er voor  afwerkingsystemen worden gekozen die voor dit geval speciaal geschikt zijn. Afhankelijk van het afwerksysteem mag het vochtgehalte van de ondergrond niet hoger zijn dan hieronder vermeld:

  • beton: ca. 4%
  • cement: ca. 4%
  • magnesiet: ca. 12%
  • anhydriet: ca. 0,5%.

Oppervlaktesterkte: meting van de slijtvastheid

De oppervlaktesterkte kan oriënterend worden bepaald door middel van een krasproef en in aanvulling hierop door meting van de slijtvastheid. Wanneer de oppervlaktesterkte onvoldoende is, blijkt dit bij de krasproef uit het feit dat de oppervlaktelaag (bijv. in geval van een sinterlaag) betrekkelijk gemakkelijk kan worden verwijderd. Exacte waarden waaruit zinvolle conclusies kunnen worden getrokken, kunnen dan alleen worden bepaald door middel van scheurproeven. Er worden altijd verschillende metingen gedaan. De kleinste meetwaarde mag niet geringer zijn dan 1 N/mm². De gemiddelde waarde moet minimaal 1,5 N/mm² bedragen.

Drukvastheid: test met een terugslaghamer

Zal het beton of de deklaag blijvend bestand zijn tegen de mechanische belastingen die in de toekomst te verwachten zijn? Om deze vraag te beantwoorden, moet met een terugslaghamer de drukvastheid worden gemeten. In de onderstaande tabel is aangegeven voor welke belasting welke waarden moeten bereikt:

  Beton Cement Magnesiet Anhydriet
Eenvoudige loopbelasting, lichte rijbelasting C 20/25 (B 25) CT 30 MA 30 CA 30
Verhoogde belasting/heftruckverkeer e.d. C 30/37 (B 35) CT 40 MA 40 CA 40

Alle informatie op een rijtje: boorkernmonster

Bij ondergronden die met vocht zijn doortrokken of sterk zijn vervuild met olie of andere stoffen, verdient het aanbeveling een boorkernmonster te nemen. Het profiel van dit monster brengt alles aan het licht: opbouw, vastheid, mate van vervuiling met olie, enz.

De tweede stap op weg naar een duurzaam afwerkresultaat: de oppervlaktevoorbereiding

Wanneer de samenstelling van de ondergrond duidelijk is en deze is beproefd, vindt de voorbehandeling plaats. Hoe zwaarder de belasting en hoe gecompliceerder het afwerksysteem, hoe grondiger deze voorbehandeling moet zijn. Vuil, oliën, vetten, stof en gruis, niet-draagkrachtige oude afwerklagen, chemicaliën en andere verontreinigingen moeten volledig worden verwijderd. Dat geldt ook voor zandende oppervlakken, sinterlagen en cementmelk. Voor een goede hechting van de aan te brengen afwerkmaterialen moet de ondergrond stroef, droog, stevig en vetvrij zijn.  

Schuren en borstelen

Kleine oppervlakken kunnen worden opgeschuurd of met roterende borstels machinaal worden opgeruwd. Hiervoor moeten werktuigen met geschikte schuurmiddelen of staalborstels worden gebruikt. Daarna moet het oppervlak met een industriële stofzuiger grondig worden gereinigd en stofvrij worden gemaakt. Deze methode is echter niet geschikt voor alle ondergronden en afwerksystemen, bijv. niet voor sterk verdichte, machinaal gepolijste betonnen oppervlakken en ondergronden die zijn behandeld met dikkelaagafwerksystemen.  

Frezen

Met deze vorm van voorbehandelen kan op een rationele manier een paar millimeter van een oppervlak worden verwijderd. Frezen verdient bijvoorbeeld aanbeveling bij aanwezigheid van oude afwerklagen en reactieharsen. Gefreesde oppervlakken moeten door middel van stofvrij kogelstralen worden nabewerkt.  

Kogelstralen

Bij kogelstralen (Blastrac-procédé), dat ook wel stofvrij kogelstralen wordt genoemd, worden er stalen kogeltjes door een schoepenrad tegen de vloer geschoten. Het vrijgekomen stof wordt onmiddellijk opgezogen en de stalen kogeltjes worden weer teruggeleid naar het schoepenwiel. Omdat dit procédé vrijwel stofvrij verloopt, kunnen de ruimten vaak ook tijdens de uitvoering ervan worden gebruikt.